COPD

Binnen de beweegprogramma’s wordt, waar mogelijk tot het niveau van de beweegnormen, gestreefd naar het ontwikkelen en in stand houden van een actieve leefstijl en het verhogen van de fitheid. Daarnaast zal de fysiotherapeut aandacht besteden aan het inspanningsvermogen en de spierfunctie, mochten dit beperkende factoren zijn voor het opbouwen en/of onderhouden van een actieve leefstijl.

Het beweegprogramma wordt opgesteld aan de hand van de wensen van de patiënt, de individuele trainingsdoelen en eventuele comorbiditeit, met als mogelijke trainingsdoelen:

  • het ontwikkelen en onderhouden van een actieve leefstijl
  • het leren kennen van eigen fysieke grenzen
  • het leren omgaan met fysieke beperkingen
  • het optimaliseren van het inspanningsvermogen
  • het overwinnen van angst voor inspanning
  • het bestrijden van beïnvloedbare risicofactoren en het bewerkstelligen van gedragsverandering.

Dit kan bereikt worden door:

  • Het vergroten van het maximale aerobe uithoudingsvermogen
  • Het trainen van lokale spierkracht en spieruithoudingsvermogen
  • Functioneel trainen voor cliënten met COPD
  • Verlagen van risicofactoren voor andere morbiditeit

Het uiteindelijke doel is uitstroom naar het reguliere beweegen sportaanbod, dat wil zeggen zelfstandig bewegen zonder supervisie van de fysiotherapeut. Uitstroomcriteria zijn hiervoor opgesteld.

Trainingsvariabelen en trainingsdoelen bij COPD
Beweegprogramma's richten zich in belangrijke mate op het ontwikkelen van een actievere leefstijl en het bereiken van effecten op de gezondheid van de COPD-patiënten. Daarnaast kunnen beweegprogramma's een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de fysieke fitheid indien ze gesuperviseerd88;89 en met relatief hoge intensiteit uitgevoerd worden.65 Binnen deze beweegprogramma's speelt dat laatste op een iets langere termijn. Al eerder is aangegeven dat het prestatievermogen van COPD-patiënten op meerdere niveaus beperkt kan zijn. De factoren die de inspanning limiteren, worden gemeten in het maximaal inspanningsonderzoek; het programma wordt daar in belangrijke mate op aangepast.

Het belang van bewegen bij COPD
Inspanningstraining heeft duidelijk aangetoonde effecten bij COPD-patiënten. Deze effecten zijn meetbaar op cellulair niveau in de spier, maar ook als klinisch relevante uitkomstmaten zoals symptomen, klachten en inspanningscapaciteit.

Dosering van de trainingsbelasting bij COPD
Voor mensen met chronische aandoeningen is dosering van de trainingsbelasting erg belangrijk. Wanneer de belastingsintensiteit te laag is, treden er in onvoldoende mate trainingseffecten op. De laatste jaren is steeds duidelijker geworden dat de trainingsintensiteit een belangrijke factor is voor het bereiken van de gewenste trainingseffecten bij COPD-patiënten.
Bij COPD-patiënten is echter sprake van een complexe inspanningsbeperking. Bij deze groep is het niet de cardiocirculatoire beperking, zoals hartfrequentie of zuurstofopname die het inspanningsvermogen beperken en daarmee de trainingsbelasting, maar de kortademigheid. Tevens is bekend dat er bij COPD-patiënten op lokaal spierniveau beperkingen kunnen optreden.
Voor het samenstellen van een programma ‘op maat' moeten hartfrequentie, zowel in rust als tijdens inspanning, individueel worden bepaald en dient een maximale-inspanningtest plaats te vinden onder controle van een elektrocardiogram (ECG) en bepaling van de gaswisseling (VO2, ademminuutvolume (VE) en zuurstofsaturatie). De optimale trainingszone wordt bepaald aan de hand van de maximale belasting en - bij cardiocirculatoir beperkte patiënten - met behulp van de formule van Karvonen. Hierbij wordt de hartfrequentie in rust en de hartfrequentie bij maximale inspanning gebruikt.
Doelstellingen van het beweegprogramma in relatie tot de intensiteit van de belasting Voor het beweegprogramma worden primair twee doelgroepen onderscheiden

  • COPD-patiënten die onvoldoende lichamelijk actief zijn (bewegingsarmoede),maar nog geen al te complex ziektebeeld hebben ontwikkeld;
  • COPD-patiënten die na een revalidatieprogramma een onderhoudsprogramma aangeboden krijgen.

Voor de eerste doelgroep bestaat het beweegprogramma doorgaans uit een paar inleidende sessies om de deelnemers kennis te laten maken met bewegen en om drempels om te bewegen weg te nemen. Zo snel als verantwoord is, en meestal na een week, wordt gestart met het aanbieden van adequate trainingsprikkels. Voor de tweede doelgroep (onderhoudsprogramma) zijn inleidende sessies uiteraard niet nodig. Hier wordt direct gestart met een trainingsprogramma waarbij het trainingsschema van de revalidatie wordt voortgezet.